Koning Willem van Nederland bezorgde Ingelmunster een marktdag in 1825 zodat ze niet meer elders moesten. Daar waren vooral de orangisten blij om. Toch moesten de vaders nog altijd met hun graan, rogge of tarwe naar de molen.
In 1830 stonden, verspreid over de gemeente, een tiental windmolens. Van op de Hoge Doorn, waar de mooiste stond, kon je ze zien draaien, zeker in de winter als het groen van de bomen was. Het moet een idyllisch beeld zijn geweest, niet meer voor te stellen.
De Omwenteling van 1830 drong eerst te Ingelmunster door toen op 11 november van dat jaar een nieuwe gemeenteraad moest worden gekozen. Van de 5855 inwoners werden 114 welgestelde personen gevonden die stemrecht hadden. De orangisten haalden het niet en landbouwer Jacobus Coussens werd met 66 stemmen de nieuwe burgemeester. De katholieken, maar dat waren ze in Ingelmunster allemaal in die tijd, begonnen zich reeds te profileren als een partij en zij zouden het heft niet meer uit handen geven, zelfs niet tot op heden.
De slechte jaren 1845-1850 dompelden de mensen in diepe armoede. De opkomst van de mechanisatie en de concurrentie met het Franse textiel brachten onze thuiswevers, spinners en naaiers tot miserie en hongersnood. Toen ook nog de graan- en aardappeloogst mislukten werd alles zwart. Mensen stierven van ellende, aan cholera en typhus. De bevolking liep terug van 6084 tot 5373. Pas dertig jaar later, in 1875, zou het aantal inwoners weer hetzelfde peil halen.
De gemeente deed haar best om uit de impasse te geraken en behaalde in 1847 een eerste resultaat. Met de steun van de kasteelheer kon men de spoorweg Kortrijk- Brugge over Ingelmunster krijgen, waarbij het dorp ontsloten werd. Het zou onvoorziene gevolgen hebben zowel ten goede, voor arbeiders en neringdoeners, als ten kwade, tijdens de bezetting in de Eerste Wereldoorlog. Het kasteel van Ingelmunster werd toen zelfs een hoofdkwartier.